PrimaLuna®
ProLogue Two

met

AdaptiveTM AutoBias Board

by

('n) Romanticus of realist?


Intro: De profundis clamo ad te, Domine!

U kent dat gevoel misschien wel – de zoveelste upgrade, en weer mis. Sarastro galmt meer dan hij buldert, terwijl violen snerpend inzetten. Is het de opname? Dat kan niet: volgens de Gramophone Classical Good CD Guide zou Die Zauberflöte toch zelden zo mooi opgenomen zijn, met zulke prachtig sonore solisten en zulke honingzoete strijkers. De installatie dan? Uitgesloten, amice! De luidsprekers behoren tot de Spitzenklasse van Stereoplay, de cd-speler is er volgens Son & Image één sans pareil, en de recensenten van What Hifi hebben de versterker twee maanden eerder nota bene tot Best Buy en Supertest Winner uitgeroepen (vijf sterren plus een aanmoediging in de recensie zelf om zonder verdere aarzelingen te kopen). Wat is hier in vredesnaam aan de hand? Aan micro-informatie ontbreekt het niet, maar waar is de emotie?

Of misschien kent u dat gevoel helemaal niet – in welk geval u meteen moet stoppen met lezen, want dan ontgaat het verschil u (zalig zijn de onwetenden!) of hebt u gewoon de juiste spullen gekocht. Dat laatste kan ik zelf helaas nog niet zeggen. Hoewel ik me er nog steeds voor schaam het toe te geven, heb ik me namelijk een paar jaar geleden laten verleiden tot het in huis halen van "audiofiele apparatuur". In eerste instantie wist ik niet wat ik meemaakte. Er was ineens op al m'n cd's een klankrijkdom hoorbaar die ik niet voor mogelijk had gehouden. Maar algauw ontdekte ik dat er iets niet klopte. De weergave was zonder enige twijfel helderder en gedetailleerder dan ooit tevoren. Alles was te horen, maar het klonk toch niet als muziek; uitsluitend "audiofiele opnames" waren nog te pruimen op deze "audiofiele apparaten".

Nou, ik ben geen "audiofiel" en ik bid dat ik er ook nooit één word. En die "audiofiele opnames" kunnen me eveneens gestolen worden. Ik wil muziek met al het rauwe realisme dat erbij hoort, geen steriel "plink-plink" en "toet-toet" op een partituur waar iedere zichzelf respecterende musicus rillend voor zou wegrennen. Muziek moet me tot tranen toe roeren, me bij m'n ballen grijpen en me inspireren; ik moet om muziek hard kunnen lachen en ervan overeind springen om met m'n denkbeeldige gitaar mee te raggen op het ritme. Een installatie is een middel tot dat doel en geen doel op zich.

En zo begon voor mij een bizarre tocht langs een hele serie cd-spelers, versterkers en luidsprekers: Marantz, NAD, Kef, Dali, Dynaudio, Arcam, Classé, Densen, Musical Fidelity, Meridian, Primare … Telkens opnieuw ontdekte ik dat er iets was wat me na verloop van tijd ging tegenstaan: te scherp, te dof, te heiig, te kil, te analytisch, te grof, te donker – de lijst was eindeloos. Let wel: daarmee waren de apparaten van al die merken niet inherent slecht, want op hun eigen manier waren ze allemaal erg goed in het blootleggen van een bepaald aspect van muziek. Het probleem was alleen dat andere aspecten daar dan blijkbaar onder moesten lijden. Ik had het idee dat ik me keer op keer even had laten imponeren door dat ene bijzondere aspect waarin ze uitblonken, om niet veel later te ontdekken dat er op de andere aspecten gemanipuleerd werd. Ineens werd als het ware de techniek achter de muziek­reproductie hoorbaar – en de betovering was weg. Wat nu?

Tweede bedrijf: drie veelzeggende ervaringen

1. Mijn eerste confrontatie met een buizen­versterker zal me altijd bijblijven. Het was de S8, één van de topmodellen van Unison Research, en ik hoefde maar vijf minuten naar dat uitzinnig vormgegeven apparaat te luisteren om er zeker van te zijn dat m'n versterker thuis aan een paar belangrijke elementen van de opgenomen muziek compleet voorbijging. Eindelijk lucht, eindelijk ruimte … Ik was in de concertzaal beland zonder een kaartje te kopen.

2. Het andere uiterste: zo'n puik-nostalgisch radiootje van Tivoli, de Model One. Mono, vet geluid – de antithese van hifi. En toch, en toch … er was iets fundamenteel in orde met de weergave van muziek door deze Model One: ik wilde 'm niet meer uitzetten. Zelfs de funky swing van Terence Trent D'Arby, die door mijn "audiofiele apparaten" niet geheel ten onrechte was ontmaskerd als artificieel en bijna lamlendig, bracht een grijns op m'n gezicht. Terug naar de middelbare school! Dit was de muziek waar ik toen op feestte, en ik had zo weer de dansvloer op gewild.

3. Vanuit m'n kantoor aan het Vondelpark hoor ik regelmatig jazzbandjes ontspannen een jamsessie entameren, en wat me dan steeds weer opvalt, is dat het geluid zo energiek is, en zo lastig te definiëren. In theorie is livemuziek voor de bouwers van onze apparatuur de absolute referentie. Maar het lijkt mij een illusie dat met een stel apparaten ooit de unieke samensmelting van kracht en tonaliteit zou kunnen worden verwezenlijkt, die aan live­muziek eigen is. Om de klank van een cello te krijgen, heb je nu eenmaal een cello nodig. Muziek laat zich niet synthetiseren.

Waarom vertel ik dit? Simpel: omdat deze drie ervaringen me een idee hebben gegeven van wat essentieel is voor een overtuigende muziekreproductie. Het zijn niet de overgangen die ertoe doen, en volgens mij ook niet de minutiae van de individuele noten. Het draait om ruimtelijkheid, massa, energie en tonaliteit. Detail, naar mijn indruk gewoon een nieuw modewoord van hedendaagse hifi-ingenieurs, ligt daarin besloten en komt dus op de tweede plaats. U mag dat met me oneens zijn, uiteraard – het is maar een mening. En als u intussen een geeuw niet kunt onderdrukken na deze wat zweverige uiteenzetting, houdt u dan nog even vol, want ik heb ook een praktische toepassing voor u.

"Tube me up, Scotty!"

Dat buizenversterkers misschien iets kunnen wat buiten het bereik van transistorversterkers ligt, was een gedachte die me na de sessie met de Unison natuurlijk wel door het hoofd schoot. En deze gedachte werd bevestigd door een keer naar een versterker van een ander bekend buizenmerk – Audio Research – te luisteren. Maar verkocht was ik nog niet.

"Buizenversterkers, dat zijn toch onbetaalbare apparaten gebaseerd op achterhaalde techniek, die je verwarming vervangen, je stroomrekening omhoog jagen, permanent onderhoud vragen, ouderwets knus en wollig klinken en alleen met het middengebied van muziekfrequenties raad weten?"

Nee dus. De PrimaLuna ProLogue Two kost € 1.375 inclusief Adaptive AutoBias Board, staat bol van de eigentijdse snufjes, is zo makkelijk in het gebruik als een schemerlamp en maakt muziek als de beste. Sterker nog: de PrimaLuna ProLogue Two biedt alle ruimtelijkheid, massa, energie en tonaliteit die ik maar kan wensen. Tja, warm wordt hij wel en ik vermoed dat hij inderdaad wat meer elektriciteit verbruikt dan de gemiddelde Sony. Voor het overige is deze versterker een openbaring.

Nu zou ik het hierbij kunnen laten, maar daar zou ik de ProLogue Two geen recht mee doen. Na alle aandacht die de ProLogue One heeft gekregen, verdient z'n grote broer het ook eens in de schijnwerpers te worden gezet.

Tout simplement modeste

Bij het uiterlijk wil ik niet te lang stilstaan – dat is voor de moderne mens hooguit opvallend door de gloeiende KT88-buizen en verder nogal prozaïsch. De typische onderdelen van een buizenversterker zijn hier in de meest traditionele configuratie bij elkaar geplaatst: transformatoren achterop, dan een kwartet KT88's, vervolgens vier stuurbuizen (tweemaal 12AX7, tweemaal 12AU7) en tot slot de frontplaat met bedieningsknoppen. De netkabel kan volledig worden ontkoppeld en er zijn vergulde aansluitingen voor zowel 4Ω- als 8Ω-luidsprekers. Het zit allemaal netjes en degelijk in elkaar, precies zoals het hoort.

Dat de bouwers van de PrimaLuna hun klassieken kennen, blijkt al evenzeer wanneer de versterker wordt opengeschroefd. Dan komt een keurig binnenwerk tevoorschijn van enkel snoertjes en kabeltjes – er is geen printplaat te bekennen als we de Adaptive AutoBias Board buiten beschouwing laten. Of het voor de geluidskwaliteit van belang is, zou ik niet weten; charmant ouderwets is het echter wel.

Het vermogen van de ProLogue Two beloopt volgens de opgave van de fabrikant 45W RMS per kanaal. Niet onaardig voor een buizenversterker.

O Gott, das Leben ist doch schön!

En dan de muziek … In Song For My Father, uitgevoerd door The Horace Silver Quartet (Blue Note 7234 4 99002 2 6), weet de PrimaLuna exact de juiste zwoelheid in het getetter van Carmell Jones' trompet te brengen – fel, niet schel. En ineens lijken de blazers zich metafysisch verbonden te hebben met de andere instrumenten; ze staan niet meer op zichzelf, maar spelen mee met de continuo-lijnen van basgitaar en drums. Een volmaakt ensemble, levensgroot weergegeven.

Een dergelijke cohesie valt ook meteen op bij Ombra mai fu, een compilatie van Haendel-aria's gezongen door Andreas Scholl (Harmonia Mundi HMC 901685): de stem baadt in de klankgolven die worden opgewekt door de Akademie für Alte Musik Berlin. Bij Se in fiorito ameno prato vormt de soloviool een loepzuivere echo van Scholls contratenor – heerlijk, zo zonder rafelige randjes! Anders dan bij de soms wat al te helder klinkende transistorversterkers die ik ken, heb ik plotseling geen enkele behoefte meer om de muziek te analyseren. Transparantie vraagt geen aandacht.

Maar de communicatie wordt pas echt direct als ik Peter Schreiers laatste opname van Die Schöne Müllerin op zet (Decca 430 414-2). Door de grote intimiteit die meestal wordt nagestreefd bij registraties van Duitse negentiende-eeuwse Lieder komt de zanger nu haast tastbaar mijn kamer binnen. Het is alsof ik zijn gezicht daadwerkelijk voor m'n ogen zie verschijnen.

Ook op minder tere muziek stort de PrimaLuna zich vol overgave: Let's get retarded op het album Elephunk van The Black Eyed Peas (A&M Records 0602498606377) heeft een ongekende energie en de pulserende kracht waarmee de lage tonen het nummer domineren doet me denken aan de allerbeste PA-sets in moderne disco's. Wie zei daar dat buizenversterkers met heftige bassen niet overweg kunnen?

3 – 1 = 4

Ik zou nog heel lang zou kunnen doorgaan met het opsommen en beschrijven van cd's waar de PrimaLuna ProLogue Two het beste uit weet te halen. Wat dacht u van de Vijfde en Zevende van Beethoven met het Wiener Philharmoniker onder Carlos Kleiber (DG 447 400-2), en Lady in Satin van Billy Holiday (Columbia 65144), en het Requiem van Verdi met het Orchestre Revolutionnaire et Romantique onder John Eliot Gardiner (Philips 442 142-2), en Tracy Chapman van Tracy Chapman (Elektra/Asylum 7559-60774-2), en …. Nee, ik stop. 

Want er zijn, zoals bij de meeste goede dingen, ook in het geluid van de PrimaLuna compromissen te ontwaren die voor andere geïnteresseerden misschien net wat bezwaarlijker zijn dan voor mij. Zo is het virtuele podium bij de PrimaLuna wat smal en ondiep – waarschijnlijk de keerzijde van de forse projectie van de muzikanten en hun instrumenten op datzelfde virtuele podium (alles is immers relatief). Verder kan ik me voorstellen dat sommigen de lage tonen eventueel nog wat "droger" gepresenteerd willen krijgen dan de PrimaLuna verkiest; de controle is er, maar niet zoals bij een goede transistorversterker. En tot slot zou het ontbreken van agressie in de klank verkeerd kunnen vallen (er schijnen mensen zijn die vinden dat muziek soms onaangenaam moet klinken, omdat bepaalde instrumenten "in het echt ook pijn doen aan je oren").

Persoonlijk kan ik van dat soort "audiofiele" kritiek niet warm of koud worden. Ik beschouw het niet als een relevante tekortkoming dat de PrimaLuna niet meer doet dan een wat gedrongen afbeelding aanbieden van het werkelijke podium van de artiesten – wat me voorgeschoteld wordt, is daardoor niet minder realistisch. Bastonen zijn volgens mij niet "droog", maar dik en soms wat wollig. En aan een agressieve klank heb ik een broertje dood; de natuurlijke dynamiek in de weergave van de PrimaLuna is voor mij ruim voldoende. Als dat getuigt van een romantische inslag, dan zij dat zo.

Waar ik me wel een beetje over kan opwinden, is dat de ProLogue Two zo weinig aandacht krijgt. Omdat de ProLogue One links en rechts de hemel in werd geprezen, ben ik daar eerst naar gaan luisteren, om vervolgens – min of meer pro forma – ook de ProLogue Two uit te proberen. Sinds die demo kan ik u één ding zeggen: de ProLogue Two steekt met kop en schouders boven de ProLogue One uit. Zou ik een rapportcijfer moeten geven, dan krijgt de ProLogue Two telkens minimaal twee punten boven elke tien die de ProLogue One op z'n conto heeft geschreven. Een klasse apart!


© Copyright 1997-2004 Hifi Notes
Alle rechten voorbehouden
Bijgewerkt op: november 14, 2004